Een pensioenfonds is een financiële stichting zonder winstoogmerk die de pensioenpremies van werkgevers en werknemers incasseert, deze wereldwijd belegt om rendement te behalen, en de gelden beheert om levenslange pensioenuitkeringen te kunnen garanderen na de pensionering. Ze staan onder streng toezicht van De Nederlandsche Bank (DNB).
Nederlandse pensioenfondsen behoren tot de grootste investeerders en kapitaalbeheerders ter wereld. Gezamenlijk beheren zij ruim 1.500 miljard euro. Dit gigantische bedrag is geen overheidssubsidie, maar is het 'uitgestelde loon' van miljoenen hardwerkende Nederlanders.
Maar wat is een pensioenfonds nu precies achter de schermen? Wie bepaalt er waar uw premie naartoe gaat en waarom is er zo vaak paniek over de 'dekkingsgraad' in het nieuws? In deze gids leggen we de werking van pensioenfondsen in duidelijke taal uit.
Drie Soorten Pensioenfondsen
Hoewel elke werknemer op zijn loonstrook simpelweg ziet staan "Inhouding Pensioen", zijn er juridisch gezien drie soorten uitvoerders op de markt actief.
1. Bedrijfstakpensioenfonds (Bpf)
Dit is de bekendste en grootste variant. Een Bpf verzorgt het pensioen voor een hele sector of bedrijfstak. Voorbeelden zijn het ABP (onderwijs en overheid), PFZW (zorg en welzijn), BpfBOUW (bouwnijverheid) of PMT (metaal).
- Vaak zijn deze fondsen door de overheid verplichtgesteld. Dit betekent dat als een werkgever in die specifieke sector actief is, hij niet onder aansluiting en betaling van de pensioenpremies bij dat specifieke Bpf uit kan.
- Door deze grote verplichte samenklontering (solidariteit) delen gezonde, ongezonde, jonge en oude werknemers samen de risico's, waardoor de kosten extreem laag gehouden kunnen worden.
2. Ondernemingspensioenfonds (Opf)
Sommige zeer grote concerns (zoals KLM, ING, Philips) hebben een eigen, onafhankelijk pensioenfonds exclusief voor het eigen personeel. Vaak gebeurt dit als ze unieke cao-afspraken willen maken of niet onder een algemene Bpf-sector vallen.
3. Algemeen Pensioenfonds (APF) en Verzekeraars
Als een werkgever niet onder een Bpf valt, en te klein is voor een eigen Opf, dan kan deze de pensioenregeling onderbrengen bij een commerciële verzekeraar (zoals Nationale Nederlanden of Zwitserleven) of een Premie Pensioen Instituut (PPI). Dit zijn commerciële partijen (die wél winst maken) en ze werken vaak via "beschikbare premieregelingen" (beleggingsrekeningen) in plaats van gegarandeerde uitkeringen.
Wat Doen Ze met Uw Geld? (Beleggen)
U legt elke maand, bijvoorbeeld, € 150,- in en uw werkgever doet daar € 350,- bij. U denkt misschien dat het fonds dit veilig in een grote kluis legt totdat u 68 wordt. Helaas, als zij dat zouden doen, zou uw pensioen door inflatie straks vrijwel waardeloos zijn.
Om pensioenen in de toekomst te kunnen uitbetalen én mee te laten groeien met de inflatie (indexatie), moet het geld "aan het werk" worden gezet. Pensioenfondsen zijn verplicht om de inleg wereldwijd te beleggen. Hun beleggingsmix (aandelen, vastgoed, veilige staatsobligaties) wordt minutieus beheerd met een blik op tientallen jaren vooruit. Historisch gezien levert dit gigantisch veel op: het grootste deel van uw uiteindelijke pensioenuitkering bestaat uit decennialang gestapeld beleggingsrendement, niet uit de premie die u zelf heeft ingelegd.
De Dekkingsgraad: De Financiële Thermometer
Het belangrijkste woord bij een pensioenfonds is de Dekkingsgraad. Het nieuws staat er vol van, en vakbonden maken er ruzie over. Maar wat betekent het?
De dekkingsgraad is een percentage dat simpelweg antwoord geeft op de vraag: "Heeft het fonds op dit exacte moment genoeg geld in kas om alle beloofde pensioenen aan huidige én toekomstige generaties uit te kunnen betalen?"
- Dekkingsgraad 100%: Het fonds heeft voor elke beloofde 100 euro, precies 100 euro in kas. (Dit is eigenlijk te krap, want buffers ontbreken).
- Dekkingsgraad 115%: Het fonds is supergezond. Het heeft 115 euro in kas voor elke 100 euro die uitgekeerd moet worden. De buffer is groot.
- Dekkingsgraad 90%: Er is een tekort. Het fonds heeft slechts 90 euro voor elke 100 euro die benodigd is.
Rente en Indexatie
Waarom is de dekkingsgraad belangrijk? Wettelijk gezien (vastgelegd door DNB) mag een fonds pas de pensioenen verhogen ter compensatie van inflatie (indexatie) als de dekkingsgraad boven een bepaalde buffer grens ligt (bijv. 110%).
De dekkingsgraad reageert extreem op de stand van de beurs (rendement) maar nog meer op de marktrente. Als de globale rente daalt, stijgen de reserveringen die een pensioenfonds moet aanhouden om in de verre toekomst (over 40 jaar) aan de verplichtingen te kunnen voldoen. Daardoor zakt de dekkingsgraad. Stijgt de rente? Dan hoeft het fonds minder geld vast te houden voor de toekomst en stijgt de dekkingsgraad.